Een ietwat meewoedige titel in de Woodstock sfeer, we begonnen met de viering van het festival en we eindigen er ook mee en weemoed past ook bij het einde van dit fietsavontuur: terugdenken aan mooie momenten, zware inspanningen en de blijheid van het bereiken van het einddoel en toch ook wel weer gelukkig zijn dat we goed en wel thuis zijn in onze vertrouwde omgeving. Je moet met plezier op reis vertrekken maar je moet ook met plezier terug naar huis komen.
Ben ik nu in Spanje geweest? Ongetwijfeld. Heb ik Spanje gezien? Een heel klein stukje ervan. Wanneer ik het dus verder over Spanje heb, en bij uitbreiding over de route in Frankrijk, dan heb ik het enkel over de plaatsen waar ik met de fietsers ben geweest. Ik hoed mij dus voor veralgemeningen (en ik wil zeker niet op de teentjes trappen van separatisten door hen allemaal het etiket ‘Spanjaard’ op te kleven), want ik kan me gerust inbeelden dat het in Catalonië, in Andalusië, in Extremadura, in Madrid, in Castilla-La Mancha en in andere regio’s anders is dan in die streken waar wij doorheen reden. En zelfs dat is misschien nog een te grove aanpak want het leven in Leon zal wel anders zijn dan dat ik Foncebadon. Een klein voorbeeld is het elkaar begroeten op de straat: in dorpen en kleinere steden is het toch nog de gewoonte om elkaar bij het voorbijgaan te begroeten met ‘Olla’ en ‘Buenas dias’, terwijl dat in grotere plaatsen en steden achterwege blijft. Groeit hier de anonimiteit of is het door het aantal mensen dat je ontmoet gewoon praktisch onmogelijk geworden om iedereen te begroeten? Ik durf er geen antwoord op te geven. Los daarvan zijn de meeste Spanjaarden die ik heb ontmoet, heel vriendelijke en voorkomende mensen die je graag verder helpen, zeker wanneer ze merken dat je een beetje moeite doet om hen in hun eigen taal aan te spreken of iets te vragen. Een paar woorden Spaans zorgen al voor heel wat goodwill en het moet gezegd dat meer en meer Spanjaarden toch wel een mooi woordje Engels kunnen praten. Een ander voorbeeld is het leefritme. Op het platteland sterft het land uit na de middag en het bloeit weer op zo rond vier uur. Gedurende die uren is zo goed als alles gesloten en je kunt er door dorpen lopen zonder een mens op straat te zien, je hoort ze wel binnenshuis maar zien doe je ze niet. In de steden houdt men zich ook nog wel aan dat ritme maar er zijn toch hier en daar al wat barsten: wel wat winkels blijven tijdens de siësta open en je kunt er hier en daar wel eten en drinken, kortom, het leven valt er niet stil zoals in kleine dorpen. Of die invloed vanuit andere Europese landen zich verder zal zetten weet ik niet, de siësta is een hardnekkeige traditie die je niet zomaar verandert hoezeer de wereld van geld en zaken dat ook zou willen.
Die eigen dagindeling merk je ook aan de etenstijden. Ze kijken er vreemd op wanneer je er ’s avonds om 7 uur wil eten en in heel wat kleinere plaatsen is dat gewoon niet mogelijk, ze serveren pas vanaf 8 uur ten vroegste. Je moet je wat dat betreft dus wel aanpassen, maar ‘when in Rome, do as the Romans do’ en ofschoon ze geen Romeinen zijn, geldt dit ook voor Spanje. En met enige inspanning lukt het best wel. Op de kwaliteit van wat je te eten krijgt en de hoeveelheid, valt meestal niets aan te merken, integendeel en ook de prijs zal je reisbudget niet overbelasten.
Op de Camino is er enorm veel te zien en je hebt er dan ook veel tijd voor nodig, zeker wanneer je ook eens wat links en rechts wil gaan bezoeken. Ik heb prachtige steden en dorpen gezien, heel mooie bruggen, kloosters, kerken en kunstschatten en de natuur waardoor je rijdt is heel gevarieerd en indrukwekkend. Het gaat van overvloedig sappig diepgroene streken naar heel bruine dorre streken, van uitgestrekte vlaktes tot heuvelachtig en rotsachtig gebied met hier en daar hoge bergen (toch in de ogen van een Vlaming die zijn plat pays gewoon is). Je rijdt er niet alleen door de ruimte en de natuur, maar ook door de geschiedenis. Ook dat was toch wel een oogopener, want ofschoon wij hier in Vlaanderen op school wel over de Spanjaarden leren, is dat meestal niet in zo’n gunstig daglicht zoals lezers van het Guezenboek van Louis Paul Boon ook wel zullen gemerkt hebben. Een ding kun je niet omheen: de enorme weelde en rijkdom die gevloeid zijn richting kerk, geloof en adel en vorstenhuis. En het gaat daarbij niet enkel om geld en goud maar ook om de enorme creatieve energie die men in dit alles heeft gestopt en misschien zo niet ergens anders voor heeft kunnen gebruiken.
Je kunt niet naast de contrasten kijken die er bestaan tussen platteland en de stad. Ofschoon men een heel ernstige inspanning heeft gedaan en nog doet om de Camino doorheen levendige dorpen en streken te leiden, kom je toch nog steeds in regio’s en dorpen waar de huizen vervallen zijn tot ruïnes en waar de weinige bewoners enkel oude mensen zijn. Je ziet ze in de schaduw met twee of drie op een bankje zitten praten en de wagen met vreemde nummerplaat nakijken, je ziet ze diep naar de aarde toe gebogen met een wandelstok in hun zondagse plunje stapje na stapje naar een nog veel ouder kerkje sukkelen wanneer de klokken klepperen voor de zondagsmis. Ze begroeten je altijd vriendelijk of ze zwaaien terug wanneer je hen een teken uit de wagen geeft, maar ze verdwijnen net als hun dorpjes. Er zijn juweeltjes bij zoals El Acebo op 1.150 m hoogte in de Bierzo (provincie Leon) waar je prachtige houten huizen hebt met uitspringende balcons, waar de straten nog geplaveid zijn en waar je met een wagen met moeite doorheen kunt rijden, ook al doordat de honden in hun eigen dorp en straat zomaar niet uit het midden van de weg gaan waar ze zo zalig liggen. Heel anders is het dan in Foncebadon (1.430 m) dat daar niet eens zover van verwijderd is en een stopplaats is op weg naar de Cruz de Ferro. In het dorp vind je vervallen huizen en de onvermijdelijke en broodnoodzakelijke verblijfplaats voor pelgrims. Men doet er wel een inspanning om het dorpje wat leven in te blazen, maar het blijft een desolate indruk geven. Andere plaatsjes zoals op de top van de O Cebreiro (Pedrafita do Cebreiro) zijn dan wel weer heel toeristische uitgebouwd met souvenirwinkels, cafeetjes en andere gelegenheden. Er heerst een gezellige drukte en het is er goed verpozen na de inspannende tocht naar de top. Hier staat trouwens het kerkje, Santa Maria Réal, waar een van de bezielers van de ontsluiting van de Camino (naast het aanbrengen van de gekende gele pijlen op de weg, schreef hij een hele goede gids), Don Elias Valina Sampedro, priester was. Het kerkje is ook gekend voor het mirakel (of zelfs meer dan een) dat er plaatsvond en je vindt er ook een soort graal (maar zo zijn er wel meer in Spanje) die een belangrijke rol speelde bij het mirakel. Tijdens de winter werden de klokken geluid om de pelgrims door de mist te loodsen. Naast het mooie en goed onderhouden kerkje staat het borstbeeld van Valina Sampedro.
Maar hoe bedrijvig ze ook zijn, in die dorpjes vind je toch wel weinig jonge mensen, ze hebben er geen werk en ze zijn blijkbaar uitgeweken naar een grotere stad.
Over het algemeen krijg ik de indruk dat de Camino is het Spaanse gedeeltje wel veel authentieker is dan in Frankrijk. Niet dat er daar niet veel te zien zou zijn, maar de sfeer is anders, ik zou zelfs durven zeggen dat het meer gecreeërd is, dat het niet zo organisch gegroeid is. Op het Spaanse deel en zeker in de dorpen waar je stopt beleven de inwoners met elke peregrino zelf een deeltje van de Camino, in Frankrijk had ik het gevoel eerder een voorbijganger te zijn. Wellicht heeft dat zijn historische gronden en is ook de toeristische industrie hier niet vreemd aan.
Maar het meest wonderlijke van alles wat ik heb gezien zijn de perigrino’s zelf of ze nu te voet of met de fiets de weg afleggen. Sommigen komen van heel ver en doen maanden over het traject, anderen beginnen pas in Sarria of Portomarin omdat ze dan nog net de afstand halen om hun credencial te bekomen.
In Frankrijk vallen ze nog niet echt op behalve in plaatsen als Saint Jean Pied de Port waar ze de Pyreneeën overtrekken, maar in Spanje groeit hun aantal tot je ze in hele drommen ziet lopen langs de weg wanneer je Santiago nadert. Ik heb ze in deze en andere blogs als verschillende keren beschreven en ik zal dit niet nog eens doen, maar ik moet toch nog eens mijn ontzag en respect uiten voor de enorme inspanning die zij hier dag na dag leveren. Ontzag, respect en ook ergens onbegrip, want ik kan er niets teeds bij wanneer ik wil begrijpen wat die mensen drijft. De motivatie, welke die ook is, moet wel heel sterk zijn om te kunnen blijven doorzetten om uiteindelijk de Praza do Obradoiro en het punt ‘nul’ in Santiago te bereiken. Het is dan ook begrijpelijk dat sommigen het plein met hun laatste krachten al roepend komen opgestormd als uiting van hun vreugde en geluk dat ze hun einddoel hebben bereikt. Wanneer je zelf niet hebt gewandeld of gefietst kun je daar zo meteen niet bij, maar de blikken in de ogen van zij die het wel deden, vertellen boekdelen. Dus van hieruit, ook al lezen zij het niet, een heel dikke en welgemeende proficiat voor het volbrengen van die lange en moeizame tocht.
Na die algemene afsluitende bemerkingen rest mij natuurlijk nog de juiste uitslag van de wedstrijd te geven:
1. Santana, Samba Pa Ti of Oye como va of Corazon Espinado (en we kunnen nog even doorgaan).
2. Mocedades, Eres tu
3. Peret, Borriquito
4. Los Lobos, La Bamba
5. José Feliciano, Ché sara
6. Tacabro, Tacatà
7. Los del Rio, Macarena
8. The Sandpipers (of anderen), Guantanamera
9. Lara Fygi, Bésame Mucho
Helaas, driewerf helaas, niemand heeft alle nummers juist geraden en dus kan dit jaar de prijs niet worden uitgereikt. Om jullie toch te doen watertanden en ervoor te zorgen dat jullie bij een andere wedstrijd jullie volledig inzetten, wil ik melden dat jullie zo een driedaagse busreis naar Ardooie met bezoek aan alle monumenten en bezienswaardigheden, inclusief een stop aan Belgian tobacco waar sigaretten en chocola taksvrij in grote voorraad kan worden gekocht en een privé optreden van een lokale wereldster hebben mislopen. Ik zou zo zeggen, doe zo voort, maar volgende keer beter.














